AkzoNobel

SikkensFoundation

Home

Back to homepage

back to home

SikkensFoundation

Piet Mondriaanlezing

MONDRIAANLEZING 1985 THE TOTALLY HARMONIOUS INTERIOR: PARADISE OR PRISON? — NANCY TROY — De Mondriaanlezing wordt dit jaar gehouden door de Amerikaanse kunsthistorica Nancy Troy, die recentelijk is gepromoveerd op de driedimensionale kleurtoepassin- gen van De Stijl in het interieur: The De Stijl Environ- ment. De motor van het modernisme, de beweging die bijna onze hele eeuw de kunst heeft gedomineerd, draaide op een onweerstaanbaar geloof in de mogelijkheid de maat- schappij te hervormen door middel van architectuur en vormgeving. Goede vormgeving verbetert het leven van mensen die daarmee in aanraking komen, zo redeneer- de men. Eerlijkheid in materiaalgebruik en constructie, zuiverheid van vormen en weglating van overbodige de- coratie vormden de uitgangspunten. Vervolgens voert Troy twee personen op die nauw met het modernisme zijn verbonden, maar die elk op geheel andere wijze een ander standpunt innemen, terzijde van het esthetisch moralisme. Eerst noemt ze de Amerikaanse architect Ro- bert Venturi, die in zijn boek Complexity and Contradicti- on in Architecture (1966) zich afzet tegen de ethische en stilistische geboden van het modernisme en wil kiezen uit een veel ruimer arsenaal vormen en culturen. Het le- vert in zijn werk een harmonie van tegenstellingen op. Vervolgens brengt ze - en de gelegenheidsaanleiding valt hier niet weg te denken - Benno Premsela ter spra- ke, die wel werkt in het modernistisch idioom, maar zich niet door moreel-politieke regels laat leiden. Zijn produc- ten moeten dienstbaar zijn aan degene die ze gebruikt en hoeven hem niet meer te leiden in zijn levenshouding. Met dit zicht op het modernisme (wat verwarrend genoeg zowel de moderne stijl rond 1900 kan betekenen, alsook het ornamentloze functionalisme van de jaren 20-30; Troy gebruikt het in beide betekenissen naast elkaar), stelt Troy in haar lezing het stilistisch en moralistisch dic- taat ter discussie. In hoeverre moralisme en esthetiek met elkaar verknoopt waren wordt aangetoond aan de hand van enkele interieurs die vallen in de kunsttheoreti- sche categorie van het Gesammtkunstwerk. Troy be- schrijft op aanstekelijke wijze het uitgangspunt van stilis- tische eenheid en harmonie in kleur en vorm in het interieur van huize Bloemenwerf (1895/96) in het Belgi- sche Ukkel van Henry van de Velde. Hij ontwierp zelfs de kleding van zijn vrouw in overeenstemming met de deco- ratie en de kleuren van het huis. Bij speciale gelegenhe- den kwam het voor dat de kleuren van haar japon een complementaire eenheid vormden met de ingrediënten van het hoofdgerecht (bon appétit!). Het wordt duidelijk hoe de gevierde architect ervan overtuigd was dat de schoonheid in zijn huis invloed had op zijn gezin en zijn gasten. Toen de schilder Toulouse Lautrec eens bij de Van de Veldes aan de lunch aanzat begon hij in enigs- zins beschonken toestand een tafelrede waarin hij de draak stak met het ‘buitensporig raffinement’ van zijn gastheer. Van de Velde vreesde dat dit zou uitmonden in obsceniteiten, maar nee, de schilder bond in. ‘De sfeer in ons huis miste zijn uitwerking niet’, schreef Van de Velde later in zijn mémoires. Dat echter zijn schoonheidsdrang verreweg zijn socialistische principes overschaduwden is evident. Terug naar overzicht

Een veel opulenter voorbeeld van een totaal harmonieus interieur is het Palais Stoclet, dat de Weense architect Josef Hoffmann ontwierp voor zijn opdrachtgevers in Brussel. Geld noch moeite waren hier gespaard. De per- vertering van de Arts and Crafts idealen, die aan de ba- sis liggen van het interieur als totaalconcept, vindt hier zijn hoogtepunt, terwijl tegelijkertijd het gebouw in zijn strakke belijningen vooruit verwijst naar Art Deco en De Stijl. Het antwoord op de retorische vraag in de titel komt pas in laatste alinea’s van Troy’s lezing naar voren. Hier intro- duceert zij de Weense architect Adolf Loos, beroemd om zijn schotschrift Ornament und Verbrechen, die zij hier aan het woord laat over het huis als Gesammtkunstwerk. Met bijtend sarcasme schetste Loos de lijdensweg van een fictieve fabrikant, rijk, succesvol en burgerlijk, die ge- looft dat hij het enige dat hem nog ontbreekt - cultuur en kunst - kan verwerven door een huis te laten bouwen door een architect. Wat hij krijgt is een volmaakt harmo- nieuze op kleur afgestemde ambiance, vergelijkbaar met de hierboven genoemde voorbeelden. Tot en met zijn pantoffels is het huis in stijl ontworpen en de fabrikant is verrukt. Langzaam maar zeker bekoelt echter zijn en- thousiasme, omdat elke kamer voortdurend eisen stelt aan zijn gedrag. In plaats van thuis brengt hij zijn avon- den elders door, in café’s, restaurants of bij vrienden. Hij moet gewoon af en toe afstand nemen van zoveel kunst. Wat echter de deur dichtdeed is wanneer de architect hem verbiedt nog iets nieuws aan te schaffen. Die heeft immers alles al voor hem ontworpen? Het huis is af, de fabrikant heeft niets meer nodig. Voorwerpen die er al waren mogen zelfs niet verplaatst worden, want dat zou het evenwicht verstoren. Eindelijk begrijpt de fabrikant dat zijn volmaakte huis in plaats van het verwachte para- dijs een kerker is. Het bevrijdt hem niet, hij is erin opge- sloten en dat komt omdat hij zo’n eerbied had voor de kunst in plaats van voor het leven. Het was niet zozeer de stijl of de smaak waartegen Loos fulmineerde, alswel de heilswaarde die werd toegekend aan de kunstzinnige voortbrengselen. Hij veroordeelde de hypocrisie van ontwerpers als Van de Velde of Hoff- mann, maar ook Loos’ architectuur was niet vrij van im- pliciet moralisme. Het toont wederom aan dat de basis van de moderne vormgeving een vat vol tegenstrijdighe- den is. Het is goed om dit anno 1986 te beseffen, nu wij de afweging maken tussen de verdiensten van het mo- dernisme en het postmodernisme. Download tekst als pdf