SikkensFoundation
MONDRIAANLEZING 1987 SHADES OF MEANING – ON THE POSSIBILITY OF COLOR CULTURES — SIMON SCHAMA — Op 19 december wordt in de Stadschouwburg te Eindho- ven de Mondriaanlezing gehouden door de Engelse in Amerika werkende cultuurhistoricus Simon Schama. Hij is bekend vanwege zijn recent verschenen boek The Embarrassment of Riches (Overvloed en Onbehagen), een lijvig boek over kunst en cultuur in de Noordelijke Nederlanden in de 17de eeuw, dat nogal wat stof heeft doen opwaaien. Bestaat er een cultuurgeschiedenis van kleur? Een scherpe vraag, vindt Schama, aangezien de historische discipline zich het liefst kleurloos ziet, intellectueel trans- parant en objectief. Populair geschreven historische lite- ratuur kleurt de geschiedenis naar believen en dat is slecht, menen academici. Schama behoort niet tot deze strenge soort historici, integendeel, hij noemt zich zelfs schaamteloos subjectief. Maar ook voor hem is het on- derwerp kleur - in de kunstgeschiedenis - een recalcitrant probleem. Van alle elementen waaruit een schilderij is samengesteld is kleur het minst vatbaar voor enige sys- tematische culturele analyse. Iconologie bijvoorbeeld, de wetenschappelijke methode die de voorstelling van een kunstwerk interpreteert, gaat uit van betekenissen die buiten het schilderij liggen en in verband staan met ande- re historische bronnen. Ook een formele kwaliteit als te- kentechniek kan worden onderzocht met behulp van his- torische bronnen over proportieleer of perspectief. Kleur echter behoort tot de esthetiek van het geschilder- de oppervlak, product van twee mogelijke impulsen - de naturalistische en de esthetische. Beide schijnen zich niet te lenen voor historisch onderzoek. Enerzijds lijkt de kennis van de optische perceptie en de schilderkunstig vertaalde illusie daarvan te universeel om beïnvloed te kunnen zijn door zoiets als smaak. Anderzijds schijnt de willekeurige kleuresthetiek van individuele kunstenaars te persoonlijk om ook maar iets algemeen geldigs te kun- nen zeggen over cultureel bepaalde keuzes. Kleur is een onontgonnen gebied in de kunst- en cultuurgeschiedenis. Schama onderkent de problemen van het cultuurhisto- risch onderzoek naar kleur, maar laat zich hierdoor niet afschrikken. In deze Mondriaanlezing geeft hij zijn cul- tuurhistorische visie op kleurgebruik in kunst en architec- tuur. Hij vraagt zich af of er kleur-culturen in westerse kunst zijn aan te merken. Zo ja, zijn dat locale systemen met eigen associaties en betekenissen? Hoe zijn die be- gonnen, bestaan ze nog of zijn ze teloor gegaan? En als er meer systematiek in zit dan slechts het aangenaam zinnenstrelend willen zijn, welke criteria bepalen dan de kleurkeuze? Dit zijn, zegt Schama, uitdagend grote vragen en hij wil aantonen dat ze serieus zijn ook. Hij gaat vervolgens in op een aantal voorbeelden in de beeldende kunst, te be- ginnen bij Piet Mondriaan. Die was een groot deel van zijn leven bezig om kleur te bevrijden van een figuratieve associatie. Sociologisch bepaalde kleurcodes zijn hier niet van toepassing. Zowel van Mondriaans werk als dat van die andere grote Nederlandse modernist Van Gogh, kun je zeggen dat kleur spectaculair bevrijd werd van zijn naturalistisch keurslijf. Kleur was een middel geworden om nieuwe artistieke doelstellingen te formuleren. Scha- ma wil aantonen dat zij, om dit te bereiken, een hele chromatische ontwikkeling hebben moeten doormaken, waarbij hun kleursysteem noch individueel noch abstract was, maar juist algemeen gebruikt en historisch herken- baar. Terug naar overzicht
Van Gogh en Mondriaan hebben in het begin van hun carrière hun kleurgebruik gemeen: typisch Oudhollandse bruine en donkergroene kleuren, precies zoals deze door de officiële academische kunstopleiding werden voorge- schreven.Van Gogh gebruikte de kleur en de textuur van de dik aangebrachte verf echter als formeel middel om het ruwe, zware bestaan in de landarbeid tot uitdrukking te brengen. Kleur was als het ware materie geworden. Hoewel het kleurgebruik van Van Gogh en Mondriaan ra- dicaal veranderde, bleven sommige aspecten van hun beginperiode bewaard. Schama brengt dat in verband met de religieuze achtergrond van beide kunstenaars. Van Gogh is in wezen altijd religieus gebleven, al veran- derde zijn godsbeeld. Mondriaan bleef altijd overtuigd van het transcendente doel van de kunst. Bij beide schilders zijn landschappen en stillevens geen dode voorwerpen maar hebben een metafysische lading. Mondriaan ontwikkelde omstreeks 1908-10 onder invloed van de Theosofie contemplatieve innerlijke landschap- pen (doorgaans symbolistisch genoemd), wat een onder- zoek was naar de relatie tussen uiterlijke vormen en in- nerlijke reflecties. Zijn chromatische middelen waren nog steeds de Oudhollandse bruinen, groenen en grijzen. In Mondriaans abstracte periode is de verf zeer bewerkelijk aangebracht. Kleur is hier echter niet gelijk met zijn ma- teriële aanwezigheid, maar het is een poging om de toe- schouwer mee te voeren naar een metafysisch, spiritueel gebied. Hoe anders dan een colorfield painter als de Amerikaan Morris Louis, die vooral de materiële substan- tie van kleur wilde laten uitkomen. Bij Van Gogh en ook de Duitse expressionisten is kleur weliswaar los komen te staan van zijn naturalistische ge- bondenheid, maar werd weer geladen met andere buiten het geschilderde oppervlak liggende betekenissen: emo- tionele associaties. In Ueber das Geistige in der Kunst uit 1912 maakt Kandinsky associaties met muziek, dus ge- hoor, en smaak en geur, om kleur en zijn emotionele la- ding op te roepen. Zo kan kleur ook een maatschappelij- ke of politieke status hebben. Kandinsky vond de kleur groen burgerlijk, hij associeerde deze met de overdadige stoffering van het zelfgenoegzame bourgeois interieur. Malevich sprak van burgerlijke chromofobie. Kiezen voor pure kleuren was dus een maatschappelijk statement, een ‘épater le bourgeois’. Schama hoopt met het voorgaande de toehoorders te hebben overtuigd dat de zogenaamde esthetische auto- nomie van kleur in de moderne kunst voor een groot deel berust op extern bepaalde sociale en culturele waarden. Dan gaat hij in op de wetenschappelijk bepaalde opti- sche perceptie en de schilderkunstige illusie, die aan uni- versele wetten zou voldoen. Optische perceptie blijkt niet een vaststaand en objectief proces te zijn. Het netvlies geeft niet eenvoudigweg optische boodschappen door maar selecteert de gegevens. Goethe had dus toch gelijk met zijn ‘licht binnen het oog’, wat traditioneel als roman- tische subjectiviteit werd afgedaan. Hoe onze hersens kleur ‘zien’ is een culturele constructie. Schama’s hypo- these van color cultures komt hiermee in zicht. Download tekst als pdf