SikkensFoundation
CLAUDIO MAGRIS: AAN DE ANDERE KANT, 1999 — Ter ere van de uitreiking van de Sikkensprijs in 1999 wordt een publicatie van Claudio Magris uitgegeven. Ma- gris (Triëst, 1939) studeerde aan de universiteit van Tur- ijn Duitse taal en letterkunde en promoveerde in 1962 op het proefschrift De Habsburgse mythe in de Oostenrijkse literatuur, een boek dat inmiddels in zes talen is vertaald. Tot 1978 was hij hoogleraar Duitse letterkunde in Turijn, vanaf dat jaar tot aan zijn emeritaat bekleedde hij die leerstoel aan de universiteit van Triëst. Magris kreeg ere- doctoraten van de universiteiten van Straatsburg (1991), Kopenhagen (1993), Klagenfurt (1995), Szeged (1999), Madrid (2006) en Paris Nanterre (2006). In 2001 werd hem de Nederlandse Erasmusprijs verleend. Hij publi- ceerde ruim dertig letterkundige studies, romans, toneel- stukken en essaybundels en schrijft al vele jaren be- schouwingen in dagblad Corriere della Sera. Donau, zijn magnum opus uit 1986, is inmiddels in 22 talen vertaald. De eerste van die vertalingen was de Nederlandse van Anton Haakmat. Triëst is tot de eerste wereldoorlog de belangrijkste ha- ven van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. In 1918 wordt de stad, met het Karstgebergte en het schier- eiland Istrië, ingelijfd bij Italië. In 1945 bezetten de parti- zanen van Maarschalk Tito stad en ommeland en alleen dankzij ingrijpen van de geallieerden wordt voorkomen dat Triëst deel wordt van Joegoslavië. De Karst en Istrië met de havenstad Fiume (nu Rijeka) worden wel door Ti- to geannexeerd. In 1954 worden de nieuwe grenzen door de vier grote mogendheden bekrachtigd. In ‘Aan de andere kant, beschouwingen over grenzen’ beschrijft Claudio Magris de invloed van de stad op zijn werk. Terug naar overzicht Download tekst als pdf
‘Triëst was tijdens mijn kinderjaren niet alleen een grens- stad, het leek zelf een grens die bestond uit zoveel kleine grenzen dat ze elkaar binnen in de stad doorsneden en zelfs kruisten in de karakters en de leefwijze van de in- woners. (...) Wanneer ik met mijn vriendjes op de Karst ging spelen, zag ik heel concreet het IJzeren Gordijn, de grens die toen de hele wereld in tweeën sneed en die zich maar een paar kilometer van mijn huis bevond. Daarachter begon de immense, onbekende en bedrei- gende wereld die het rijk was van Stalin. (...) Maar toch waren die gebieden, die tot het ‘andere’ Europa behoor- den, tot een paar jaar geleden Italiaans geweest; totdat ze aan het einde van de oorlog door Joegoslavië bezet en geannexeerd werden. (...) In Triëst leidde dit alles dik- wijls tot een gevoel van onzekerheid, van nergens bij te horen en een vreemde te zijn; het paradoxale gevoel te- gelijk in het centrum en aan de periferie van het leven te wonen. De stad, die tot 1954 een vrijstaat was, werd in die periode bestuurd door de Amerikanen en de Engel- sen, en behoorde wel en niet tot Italië. Hier was het ge- makkelijker dan elders om te twijfelen of je een toekomst had, je wist niet goed wie en wat je was, en dat leidde tot aanhoudende ensceneringen van de eigen identiteit. (...) Het ervaren van deze warboel bracht een vroegrijpe ont- goocheling met zich mee, een illusieloze scepsis ten aanzien van elk geloof in een rechtlijnige voortgang van de geschiedenis. (...) Zonder deze grenservaring zouden veel van mijn boeken niet zijn ontstaan. Heel Donau is een boek over grenzen, een zoektocht die diende om grenzen te overschrijden en te overwinnen, niet alleen nationale, maar ook culturele, linguïstische, psychologi- sche; grenzen in de uitwendige werkelijkheid, maar ook in het binnenste van een individu, grenzen die de verbor- gen, duistere zones van de persoonlijkheid scheiden en die eveneens overschreden moeten worden, als we ook de meest verontrustende componenten van de archipel waaruit de eigen identiteit bestaat, willen kennen en aan- vaarden.’ Download tekst als pdf